- opschieten
- {{opschieten}}{{/term}}1 [voortmaken] hurry up ⇒ push on/ahead2 [vorderen] get on ⇒ make progress/headway3 [overweg kunnen] get on/along4 [opgroeien] spring/shoot up ⇒ sprout♦voorbeelden:1 schiet eens op! • (come on and) hurry up!, get going!2 goed opschieten met zijn werk • get on (well) with one's workdaar schiet je niks mee op • what good does it do?, that's not going to get you anywhere3 ze kunnen goed met elkaar opschieten • they get on very well (together)
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.